De auteurs in deze rubriek schijven op persoonlijke titel en hun visie behoeft niet overeen te komen met die van de redactie van Blikopdebeurs.
© 1999-2003 Blikopdebeurs.com
|
|
|
De geschiedenis van Irak: van Babylonische Nebucadnezar tot Saddams dictatuur
Door Jo Swaen - 23 maart 2003
Inleiding
Tot 1958 was Irak een koninkrijk. Er was een gekozen parlement en er waren
meerdere partijen. De koers van Irak was gematigd pro-Brits. Dit veranderde in
1958 toen militairen naar de macht grepen en de koning vermoordden. De nieuwe
machthebber, generaal Qasim, was nationalistisch, anti-Brits en papte ook aan
met de communistische partij. In 1959 mislukte een aanslag op hem waar de
22-jarige Saddam Hoessein bij betrokken was. In 1963 lukte het wel Qasim te
doden maar het ontbrak de nieuwe machthebbers aan een duidelijke koers. Ze
werden dan ook in 1968 afgezet. Hassan al-Bakr, leider van de Baathpartij, werd
president. Zijn neef en beschermeling was Saddam Hoessein - een rijzende ster in
de Baathpartij. Hij bond de strijd aan met de communistische partij en
reorganiseerde de veiligheidsdiensten. In 1979 trad al-Bakr af en werd
onmiddellijk opgevolgd door Saddam Hoessein die in feite al sinds 1975 in Irak
de lakens uitdeelde.Saddam begon al direct met zuiveringen in de partij. Rondom
hem ontwikkelde zich een Stalinistische persoonscultus. In 1980 viel hij Iran
binnen, omdat hij meende dat dit land na de val van de Sjah in 1979 militair
ernstig was verzwakt. Het was een misrekening. Alleen dankzij massale westerse
en Arabische steun en de inzet van verboden chemische wapens kon hij de Iraniërs
van zich af houden. In 1988 kwam het tot een wapenstilstand.
De volgende fout die
Saddam maakte was de gewelddadige annexatie Koeweit in 1990. Onder Amerikaanse
leiding werd een tegenoffensief ingezet en Irak moest zich in 1991 weer
terugtrekken. De Verenigde Naties namen resoluties aan waarin werd bepaald dat
Irak afstand moest doen van als zijn verboden wapens. Er werden sancties
ingesteld. Er kwamen VN-inspecteurs die en passant ook nog ontdekten dat Saddam
in het geheim aan een atoombom en aan biologische wapens had gewerkt. Irak
probeerde de inspecties voortdurend te saboteren, uiteindelijk moesten de
VN-inspecteurs in 1998 het land uit. Tussen 1998 en 2002 kon Saddam min of meer
zijn gang gaan. Na de aanslagen van 11 september besefte de nieuwe regering-Bush
dat het probleem-Irak te lang was blijven liggen. Weliswaar had Saddam niets met
die aanslagen te maken gehad, maar hij had wel begrip voor de aanslagplegers
getoond. Onder zware Amerikaanse druk nam de VN-Veiligheidsraad in november
unaniem een resolutie aan die Irak dwong nieuwe wapeninspecties toe te staan.
Irak ging schoorvoetend akkoord. Nog diezelfde maand arriveerden de eerste
inspecteurs in Irak.
Britse Invloed
Het huidige Irak was al bekend in bijbelse tijden. Het gebied van wat nu Irak
heet omvatte toen ruwweg Babylonië en Assyrië. De
Soemeriërs, Assyriërs en Babyloniërs stichtten niet alleen de eerste steden,
maar maakten met de uitvinding van het schrift ook een einde aan het
prehistorie. Ze verrichtten als het ware pionierswerk dat duidelijk maakte hoe
grote groepen mensen samen kunnen leven. Via opgeschreven wetten bijvoorbeeld,
en vastgelegde rechten en plichten. Grote bekendheid kreeg de
Babylonische koning Nebucadnezar (605-562 v.C.). Nebucadnezar veroverde het
heilige land en voerde een groot aantal joden in ballingschap. Hij zette enorme
bouwwerken neer. "Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb," zei hij eens
trots. Dit is een van de redenen dat de huidige Iraakse dictator Saddam Hoessein
zich zo graag aan de Babylonische vorst spiegelt. Saddam liet de resten van de
oude hoofdstad Babylon reconstrueren.
1914-1939
In de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw maakte het huidige Irak, net als een
groot deel van de Arabische wereld deel uit van het Ottomaanse (Turkse) Rijk.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog namen de Britten de belangrijkste Iraakse steden
in waarna het gebied overging in een Brits mandaat.
Irak werd in 1932 onafhankelijk. Het werd een
Hasjemitisch koninkrijk - maar de Britse invloed en militaire presentie bleef
voorlopig. Erg stabiel was de jonge staat niet.
In 1936 vond er een
staatsgreep plaats die een jaar later weer ongedaan werd gemaakt met de moord op
couppleger generaal Bakr Sidqi. In 1939 kwam de Iraakse koning Ghazi om het
leven bij een auto-ongeluk. Omdat zijn zoon Faisal nog minderjarig was, kwam de
feitelijke macht in handen van een regent, Abd al-Ilah.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog sympathiseerden veel Irakezen met Nazi-Duitsland.
Dat had deels te maken met het groeiend nationalisme en toenemende anti-Britse
sentimenten. De Engelsen hadden nog steeds behoorlijk veel troepen in Irak
gelegerd. In 1941 vond er een staatsgreep plaats. De nieuwe machthebbers
flirtten met Nazi-Duitsland.
Mufti Haj Amin al Hoesseini
Eén van de figuren achter
de staatsgreep was de Palestijnse mufti (geestelijke) Sjeik Haj Amin
al-Hoesseini, een openlijke bondgenoot van de nazi's en een groot bewonderaar
van Hitler en Himmler. Voor Engeland waren de nieuwe machthebbers volstrekt
onacceptabel. De in Irak gelegerde Britse troepen en de luchtmacht kregen bevel
in actie te komen. Sjeik Haj Amin al-Hoesseini stookte daarop de Islamitische
geestelijkheid tegen de Britten op waarna deze in een speciale boodschap aan het
Iraakse volk de jihad (heilige oorlog) uitriep. Al na enkele maanden wisten de
Engelsen de nieuwe machthebbers te verdrijven. De hulp vanuit Nazi-Duitsland
bleek onvoldoende. De regent keerde naar Bagdad terug. De man die tussen 1930 en
1958 de Iraakse politiek domineerde heette Nuri al-Said, een man met een
gematigd pro-westerse oriëntatie maar met autocratische trekken. In die 28 jaar
was hij zeven maal premier en als hij geen premier was, speelde hij doorgaans
een belangrijke rol op de achtergrond.
1945-1958
Na de Tweede
Wereldoorlog probeerde Nuri het instabiele Irak, waar Koerden streefden naar
onafhankelijkheid en Sjiïeten hun invloed probeerden te vergroten, bijeen te
houden en te moderniseren. De bovenklasse en de officieren in het leger
bestonden grotendeels uit soennieten. Nuri richtte een eigen politieke partij
op, de Constitutionele Eenheidspartij. Het jaar 1948 was een kritiek jaar.
Toen riep Israël de onafhankelijkheid uit, direct gevolgd door een massale
militaire actie van de Arabische wereld tegen de pasgeboren Joodse staat. Irak
stuurde bijna 18.000 soldaten naar het front. Maar het werd een groot fiasco. In
Irak zelf werd wraak genomen op de Joodse gemeenschap van wie een groot deel
naar Israël uitweek. Tegen 1952 waren er bijna geen joden meer in
Irak.
Na 1950 kwam het accent te liggen op economische ontwikkeling en
grotere inkomsten uit oliewinning.
Nuri al Said
Maar Nuri al-Said verzette
zich met succes tegen plannen van anti-Britse nationalisten om, net als Iran, de
oliebronnen te nationaliseren. In het leger begon het te gisten: vooral de
jongere officieren waren nog steeds verontwaardigd over de nederlaag tegen
Israël. In 1953 trad Abd al-Ilah, de regent, terug te gunste van de nieuwe
koning Faisal II. Op de achtergrond bleef de ex-regent als "kroonprins" en
adviseur van de onervaren koning een dominante rol spelen. Verschillende
regeringen wisselden elkaar af, pogingen het land verder te hervormen stuitten
op verzet van conservatieven en landeigenaren. In toenemende mate werd ook olie
een factor van betekenis. In 1952 werd afgesproken dat de Iraakse staat 50
procent van de winst van de Iraakse Aardolie Maatschappij (IPC) mocht
opstrijken. De productie ging sprongsgewijs omhoog. In 1955 sloten Irak, Turkije
en Engeland het zogenaamde Pact van Bagdad, dat zich onder meer keerde tegen de
Sovjet-Unie. Engeland gaf de twee luchtmachtbases die het nog bezat aan Irak
terug, maar zegde toe Irak in geval van gewapende aanval te hulp te zullen
schieten.
Militairen aan de macht
1958: staatsgreep
De pro-Britse oriëntatie van Nuri al-Said wekte
irritatie op bij jongere nationalistische officieren in het leger. Zij vonden
steun bij de groeiende linkse oppositie. Nuri was ook tegen pan-Arabische
ambities van hen die geloofden dat soennitische Arabieren over de grenzen heen
één natie vormden. De Egyptische president Nasser was hun grote voorbeeld.
De door Nasser geprovoceerde Suezcrisis van 1956 versterkte deze pan-Arabische
gevoelens nog. De Arabische "natie" voelde zich diep vernederd nadat Engeland en
Frankrijk, bijgestaan door nota bene Israël, Nasser op de knieën dwongen. In de
grote steden kwam het tot massale demonstraties en Nuri haastte zich solidair te
verklaren met de rest van de Arabische wereld. Maar hij had z'n langste tijd
gehad. De oppositie bundelde zich in 1957 in het "Verenigde Nationaal Front".
Daarin zat een nieuwe politieke groepering die zich Baath Partij noemde. In het
leger hadden de dissidente jonge officieren zich gebundeld in de beweging van
"Vrije Officieren". Met steun van de oppositie pleegden die in 1958 een
militaire staatsgreep. De koning, de ex-regent en Nuri werden doodgeschoten. De
monarchie werd afgeschaft en de republiek werd uitgeroepen. Waren de Britten,
net als in 1941, nog in de positie geweest militair in te grijpen, dan zou Irak
voor veel onheil zijn behoed. Zo'n ingrijpen zou overigens toch zijn afgedaan
als westers "kolonialisme" en "imperialisme". Na 1958 werd Irak een totalitaire
staat waar via men alleen militaire coups president kon worden. Het Bagdad Pact
werd al snel na de coup van 1958 door Irak opgezegd.
1958-1963: generaal
Qasim
Na de coup van 1958 werd de sterke man in Irak generaal Abd
al-Karim Qasim, die president werd.
Generaal Kasim / Abdul Salam Arif
De tweede sterke man was
kolonel Abd al-Salam Arif, die premier werd. Al spoedig kwam het tussen Qasim en
Arif tot een breuk. Arif was een typische pan-Arabist en een bewonderaar van de
Egyptische president Nasser. Qasim moest daar niets van hebben. Verder speelde
persoonlijke rivaliteit tussen beiden een rol. Ook waren degenen die Qasim in
het zadel hadden geholpen niet te spreken over diens toenadering tot de
communistische partij. Het conflict werd vooralsnog beslist ten gunste Qasim die
Arif in de gevangenis liet zetten. Qasim botste ook met de Baath partij. Deze
had in 1959 geprobeerd een aanslag op Qasim te plegen. Bij het complot was ook
de toen nog geheel onbekende 22-jarige Saddam Hoessein nauw betrokken. Na de
mislukte aanslag dook hij een tijdje in Syrië en Egypte onder. De Baathpartij
ging daarop ondergronds. Een ander probleem voor Qasim was de opstand van de
Koerden in het noorden die de militaire machthebbers maar niet konden neerslaan.
Onder Qasim maakte Irak in 1961 ook aanspraak op het zojuist onafhankelijk
geworden Koeweit. De Irakezen betoogden dat Koeweit in de Ottomaanse tijd een
district was geweest van de provincie Basra. De Britten stuurden direct troepen
naar Koeweit om de soevereiniteit van de nieuwe staat te garanderen, later
werden die troepen vervangen door troepen van de Arabische Liga. Arif werd
in 1962 vrijgelaten. Hij ging al spoedig tegen zijn belangrijkste rivaal
complotteren. In het leger had zich een kern van de Baathpartij gevormd waarin
generaal Ahmad Hassan-al-Bakr een leidende rol speelde. Al-Bakr was een oom van
Saddam Hoessein.
1963-1968: de gebroeders Arif
In 1963 kwam het
tot een staatsgreep waarbij Qasim werd gedood.
Arif werd president, al-Bakr werd premier. Er
werd een nieuwe elite-eenheid gevormd die de machthebbers in het vervolg tegen
staatsgrepen moest beschermen: de Nationale Garde. Arif was een bewonderaar van
Nasser en diens pan-Arabische idealen. Hij experimenteerde ook een tijdje met
het socialisme door diverse nationalisaties door te voeren die echter niet
leidden tot meer welvaart. Arif werd in zijn streven gehinderd door de
opstandige Koerden in het noorden en de onrustige Sjiïeten in het zuiden die
geen enkele affiniteit met de dominante soennitische Arabische minderheid - laat
staan met pan-Arabische eenheid - en met het "socialisme" hadden. Ook de
Baathpartij was intern nogal verdeeld. Met de benoeming van een burgerpremier
(de bekwame technocraat Abd al-Rahman al-Bazzaz) in 1965 probeerde Arif het tij
te keren. Hij kwam in 1966 plotseling om bij een helikopter ongeluk waarna hij
werd opgevolgd door zijn broer Abd al-Rahman Arif. Deze had niet gezag en de
invloed van zijn omgekomen broer. Premier al-Bazzaz haalde zich het ongenoegen
van het leger op de hals en moest aftreden. In de oppositionele Baathpartij
hadden Hassan al-Bakr en Saddam Hoessein de macht steeds meer naar zich
toegetrokken. Saddam had in de partij een geheim veiligheidsapparaat opgezet. In
1964 werd Saddam na een mislukte poging tot een staatsgreep gevangengezet. In de
gevangenis werd hij opvallend goed behandeld. Na twee jaar wist hij te
ontsnappen waarna hij zich wederom toelegde op de vorming van conspiratieve
cellen. De jonge Saddam had overigens geen militaire achtergrond.. Zijn oom
al-Bakr slaagde er met andere vertrouwelingen uit de Baathpartij in Atif in 1968
af te zetten.
1968-1979: rijzende ster van Saddam
Hoessein
Al-Bakr werd president.
Hij was ook
secretaris-generaal van de Baathpartij en voorzitter van de Revolutionaire
Commando Raad - het machtigste orgaan in Irak. Al-Bakr had dus alle touwtjes in
handen. Saddam Hoessein werd een van zijn belangrijkste vertrouwelingen. Hij was
een specialist in het ontdekken van "samenzweringen" en het organiseren van
zuiveringen. In 1969 werd Saddam Hoessein benoemd tot vice-voorzitter van de
Revolutionaire Commando Raad. Geleidelijk trok hij steeds meer macht naar zich
toe. Na 1975 was hij de feitelijke machthebber in Irak, al bleef al-Bakr nog
vier jaar president. De banden met de Sovjet-Unie werden aangehaald. Na een
bezoek van Saddam aan Moskou in januari 1972 sloot Irak met de Sovjet-Unie een
Vriendschaps- en Samenwerkingsverdrag. Tegelijk werd de communistische partij
(ICP) steeds meer onderdrukt - tot ongenoegen van de Russen.
In het conflict met Israël presenteerde Irak zich steeds meer als de kampioen
van de Arabische zaak al was de Iraakse bijdrage aan de oorlogen van 1967 en
1973 uiterst gering. De oorlog tegen de Koerden in het noorden ging intussen
onverminderd door.
Mustafa Barzani
De Koerdische leider Mustafa Barzani werd gesteund door de Shah
van Iran. Iran en Irak maakten tegengestelde aanspraken op Shatt al-Arab, de
smalle waterweg die de Iraakse havenstad Basra met de Perzische Golf verbindt.
In 1975 bereikten beide landen overeenstemming over het geschil en beëindigde
Iran abrupt zijn steun aan de Koerden in Noord-Irak. In de gelederen van de
Koerden kwam het tot een splitsing toen Jalal Talabani zijn Volksunie van
Koerdistan (PUK) oprichtte. Barzani stierf in 1979 in ballingschap. Hij werd
opgevolgd door zijn zoon Masoud Barzani.
Saddam en al-Bakr hadden het ook
toenemende problemen met de onrustige sjiïetsche bevolking in het zuiden. De
invloedrijke Iraanse Ajatollah Ruhollah Khomeini had zijn toevlucht in Irak
gezocht, maar in oktober 1978 gaf Irak toe aan Iraanse druk om hem het land uit
te zetten.
Ayatollah Khomeini
De ayatollah vertrok
daarop naar Parijs waar hij de Iraanse revolutie voorbereidde. Begin 1979 werd
de sjah van Iran van de troon gestoten waarop Khomeini in triomf naar Iran
terugkeerde - tot ongenoegen van Saddam Hoessein en al-Bakr die de sjiïtische
fundamentalisten bepaald geen warm hard toedroegen.
Het tijdperk Saddam
Hoessein
Saddam Hoessein: een kopie van Stalin
In juli 1979 trad
al-Bakr af. Hij werd onmiddellijk opgevolgd door Saddam Hoessein. Saddam was in
1937 geboren in Tikrit. Hij was van eenvoudige boerenafkomst en behoorde ook
niet tot de elitaire officiersklasse in het leger al pretendeerde hij later wel
een militair genie te zijn. In de schaduw van machtige beschermers uit de
Baathpartij was hij groot geworden. In die opzichten gelijkt hij op de vroegere
Russische dictator Stalin voor wie hij een duidelijke bewondering heeft. Zo zou
hij in zijn jonge jaren eens tegen vrienden gezegd hebben: "Wacht tot ik aan de
macht kom, dan zal ik Irak besturen zoals Stalin Rusland bestuurd heeft."
Daarnaast is hij een openlijke antisemiet die zich door Hitlers Mein Kampf had
laten inspireren. Hij is ook een groot bewonderaar van de Palestijnse sjeik Haj
Amin al-Hoesseini die in de Tweede Wereldoorlog de Arabieren had opgeroepen om
de kant van Nazi-Duitsland te kiezen. Zijn oom Adnan Khairallah, die de jonge
Saddam opvoedde, steunde de pro-Duitse coup van 1941 volledig. Later gaf Saddam
financiële steun aan Palestijse zelfmoordterroristen die zoveel mogelijk Joden
willen ombrengen. Saddam is net zo meedogenloos als Stalin en Hitler. Ook rond
Saddam ontwikkelde zich een persoonscultus. Zijn regime kenmerkte zich al direct
door brute terreur en intimidatie. Het begon met een bloedige zuivering onder
vermeende tegenstanders in de Baathpartij. Tijdens een cruciale
partijbijeenkomst in 1979 rookte Saddam rustig een sigaar terwijl de ene na de
andere vooraanstaande partijman na een "bekentenis" ter dood werd veroordeeld.
Af en toe liet Saddam een traan - zogenaamd uit droefheid dat sommigen van zijn
beste vrienden tot de "verraderskliek" behoorden. Hij liet de hele bijeenkomst
op film vastleggen en gaf opdracht de video aan alle partijleden te sturen.
Stalin had zich in schijnprocessen op soortgelijke van hoge partijbonzen
ontdaan. Die processen werden in de Russische media breed uitgemeten.
Meer nog dan zijn voorgangers bediende Saddam Hoessein zich van clan- en
familiebanden, het verlenen van gunsten aan vrienden en het wegzuiveren van
tegenstanders. Zijn eigen al-Majid-clan werd sterk bevoordeeld. Naar buiten
probeerde Saddam soms een democratische schijn op te houden. Zo werd er in 1980
een Nationale Assemblee ingesteld - die in feite niets te vertellen had.
1980-1988: Problemen met
de sjiïeten en de oorlog met Iran
In het Noorden en Zuiden begonnen
afscheidingsbewegingen zich weer te roeren. In april 1980 mislukte een aanslag
op de Iraakse vice-premier Tariq Aziz, een vertrouweling van
Saddam.
Een sjiïetische groepering
bleek erachter te zitten. Het regime nam wraak en liet de belangrijkste
sjiïetische leider ayatollah Baqir al-Sadar ter dood brengen. Nog niet eerder
was in Irak zo'n invloedrijke geestelijke vermoord. In het sjiïetische Iran werd
met ontzetting op de executie gereageerd. Saddam op zijn beurt was ervan
overtuigd dat Iran militair ernstig verzwakt was, nadat de nieuwe Iraanse
machthebbers alle banden met de Verenigde Staten hadden verbroken. Plotseling
ging Saddam weer aanspraak maken op eilandjes in de Perzische Golf die Iran in
1971 geannexeerd had. Ook zegde hij het verdrag van 1975 waarin de kwestie van
Shatt al-Arab was geregeld op.
In een snelle Blitzkrieg hoopte Saddam de
nieuwe en onervaren machthebbers in Iran op de knieën te kunnen dwingen. Maar
hij had het fanatieke doorzettingsvermogen van vooral Khomeini ernstig
onderschat. Khomeini riep de heilige oorlog uit, het deerde hem niet hoeveel
slachtoffers er vielen - zelfs kinderen werden massaal naar het front gestuurd
en in groten getale door Iraakse mitrailleurs neergemaaid. In 1982 zette Iran
een krachtig tegenoffensief in. Een Iraaks voorstel tot een staakt-het-vuren
werd door Khomeini met hoongelach begroet. Irak kreeg veel steun van de
Arabische wereld en het Westen. De Amerikanen verstrekten Irak zelfs
satellietgegevens over Iraanse troepenposities. Tijdens de oorlog tegen Iran
probeerde Saddam Hoessein zich intensief met de oorlogvoering in te laten, maar
zijn generaals hadden al snel door dat hij geen briljant strateeg was. Ze
dwongen hem de beslissingen over de oorlogvoering grotendeels aan hen over te
laten (na de oorlog werd een deel van de legerleiding weer weggezuiverd, ook
daarin volgde hij het voorbeeld van Stalin).
In loop van de oorlog zou het tij
dan ook ten gunste van Irak keren. Dat kwam mede door de steeds massalere inzet
van chemische wapens (na 1984) op het slagveld - dit was waarschijnlijk een idee
van Saddam Hossein zelf geweest. Protesten vanuit het Westen tegen de inzet van
deze verboden wapens klonken er nauwelijks. De Amerikanen hadden feitelijk de
zijde van Irak gekozen. In 1986 bezette Iran het strategisch gelegen
schiereiland al-Faw - een zware klap voor Saddam Hoessein. Na een felle en lange
strijd kon het schiereiland in 1988 worden heroverd. Toen begon Irak weer
overwicht te krijgen in de oorlog en accepteerde Iran een door de VN voorgesteld
staakt-het-vuren. In zijn grootheidswaan riep Saddam het staakt-het-vuren meteen
tot een klinkende overwinning uit. Intussen had hij zijn chemische wapens ook
ingezet tegen de Koerden. Bij een gifgasaanval op het Koerdische stadje Halabja
in maart 1988 kwamen 4000 onschuldige burgers om.
Chemische wapens werden
ook elders in Noord-Irak ingezet. Het Koerdische verzet werd grotendeels
gebroken, voorlopig althans.
De invasie van Koeweit, de
Golfoorlog en de wapeninspecties
De Koeweitcrisis en de Golfoorlog
(1990/1991)
De kostbare oorlog met Iran had Irak aan de rand van de
financiële afgrond gebracht. Het land kon de enorme schulden niet meer
opbrengen. Saddam wierp al spoedig een begerige blik op het rijke oliestaatje
Koeweit dat halsstarrig weigerde het enorme bedrag dat het aan Irak geleend had
kwijt te schelden. Gaat het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks moet Saddam
gedacht hebben. Op 2 augustus 1990 viel zijn leger Koeweit binnen. Vier weken
later werd het oliestaatje als negentiende provincie van Irak formeel
geannexeerd. Maar Saddam had zijn tegenstanders opnieuw onderschat. Hij had
nooit verwacht dat de Amerikanen met succes de wereldopinie (inclusief de
Arabische wereld) zouden mobiliseren en een heel leger op de been zouden brengen
om Koeweit te bevrijden. President Bush slaagde erin een coalitie van westerse
en Arabische landen tegen Irak te vormen.
George Bush sr
In november 1991 nam de
Veiligheidsraad een resolutie aan waarin van Irak onvoorwaardelijke
terugtrekking werd geëist. Als dat niet gebeurde zou geweld worden gebruikt.
Saddam Hoessein zette de hakken in het zand en trotseerde de wereldopinie. Op 16
januari 1991 begon een wekenlang bombardement op Iraakse stellingen, gevolgd
door een grondoffensief. Saddam probeerde wraak te nemen door scudraketten op
Israël en Saoedi-Arabië af te vuren. De Iraakse soldaten, deels al murw gebeukt
door de bombardementen, waren geen partij voor de uiterst moderne Amerikaanse
tanks.
Uit wraak stak Saddam de
oliebronnen van Koeweit in brand - een milieuramp van ongekende omvang voltrok
zich.
Nadat Saddams leger
Koeweit in paniek en met zware verliezen verlaten had stond de Amerikaanse
bevelhebber generaal Norman Schwarzkopf voor de keus: wel of niet doormarcheren
naar Bagdad. De weg naar Bagdad lag vrijwel open. Het besluit viel dat niet te
doen. Eind februari werd een wapenstilstand getekend.
In maart 1991 riep
de Amerikaanse president Bush de Iraakse bevolking op tegen Saddam Hoessein in
opstand te komen. Toen de Koerden en de sjiïeten aan die oproep daadwerkelijk
gehoor gaven, bleef Amerikaanse hulp uit. Saddam sloeg de opstand met zijn nog
geheel intacte Republikeinse Garde keihard neer. Twee miljoen Koerden vluchtten
naar Turkije en Iran. Na een Veiligheidsraadresolutie stelden Amerikanen en
Britten daarop in het noorden een veiligheidszone in waar de Iraakse luchtmacht
niet mocht opereren. Saddam Hoessein trok zijn legers terug.
Sancties,
wapeninspecties en misleiding (1991-2002)
De Veiligheidsdraad had Irak in
1991 een aantal sancties en verplichtingen opgelegd. Eén van de verplichtingen
was dat Irak VN-inspecteurs van "Unscom" moest toelaten die Saddams chemische
wapenarsenaal en de scuds moesten ontmantelen. Die inspecteurs ontdekten dat
Irak over veel grotere voorraden chemische wapens beschikte dan eerder was
aangenomen. Ook kwamen ze erachter dat hij op het punt had gestaan een kernbom
te ontwikkelen. Tenslotte kwamen ze erachter dat Irak ook over biologische
wapens als antrax (miltvuur) beschikte. Dr. A.J.J. ("Koos") Ooms, het
Nederlandse lid van Unscom, zei in een interview met NRC Handelsblad dat Irak
ook lange afstandsraketten had die met biologische wapens waren geladen. "We
hebben zwart-op-wit dat bij de Golfoorlog het bevel al werd gegeven om die
raketten op Israël af te vuren, zodra Bagdad met een kernwapen werd aangevallen.
Ze waren ook bezig met 2000 km-raketten die Europa konden bereiken. Die moesten
van biologische of kernwapens worden voorzien."
Bij hun werk werden de
inspecteurs voortdurend dwarsgezeten. Alles werd uit de kast gehaald om hen om
de tuin te leiden en te intimideren. Tariq Aziz, Saddams belangrijkste
propagandakanon, ontkende bijvoorbeeld nadrukkelijk dat Irak biologische wapens
had, tot de inspecteurs erachter kwamen dat er weer eens gelogen was. Saddams
schoonzoon Kamil Hoessein was in 1995 naar Jordanië gevlucht waar hij tal van
details over geheime Iraakse wapenprogramma's onthulde. Hij was zo onverstandig
naar Irak terug te keren waar hij en een groot deel van zijn familie direct
vermoord werden. In 1998 hadden Amerikanen en Britten er genoeg van. Vier
dagen lang werd Irak gebombardeerd ("Operatie Desert Fox"). Unscom mocht daarop
van Saddam niet meer terugkomen. Frankrijk en Rusland (beide permanent lid van
de Veiligheidsraad) keerden zich nadrukkelijk tegen de Amerikaanse aanpak. Op
het propagandafront was Saddam heel actief. Het Iraakse bewind liet westerse
journalisten en parlementariërs - ook enkele Nederlandse - naar Bagdad komen
waar ze met eigen ogen konden zien hoe de arme Iraakse bevolking te lijden had
onder de sancties. Dat de VN een olie voor voedselprogramma had ingesteld en dat
de kliek rond Saddam in weelde baadde, werd natuurlijk verzwegen. In augustus
2002 werd een groep journalisten rondgeleid in een fabriek waar volgens
Amerikanen en Britten chemische wapens werden gemaakt. Ze kregen maar een klein
deel van het immense complex te zien. Tussen 1998 en 2002 wist Saddam op
behendige wijze de verdeeldheid in de Veiligheidsraad uit te buiten. Maar in
2001 werd de Republikein George Bush, zoon van de door Saddam diep verachte
oud-president George Bush, president. De nieuwe regering in Washington stond een
veel hardere aanpak van Irak voor. De aanslagen van 11 september 2001 door
terroristen van bin Ladens al-Qaedanetwerk, sterkten de Amerikaanse regering in
de overtuiging dat een fluwelen aanpak bij terreurstaten als Afghanistan en Irak
niet echt werkte. Het inzicht begon bij Amerikanen en Britten te dagen dat Saddam zelf weg moest wilde het probleem-Irak
echt worden opgelost. Onder zware Amerikaanse en Britse druk en na wekenlange
onderhandelingen nam de Veiligheidsraad in november 2002 unaniem een resolutie
aan waarin Irak verplicht werd nieuwe VN-inspectieteams toe te laten.
VN-resolutie
1441
De
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties neemt op 9 november, na twee maanden van
onderhandelingen, unaniem Resolutie 1441 aan. Hierin krijgt de Iraakse leider
Saddam Hussein "een laatste kans". Een laatste mogelijkheid om de
wapeninspecteurs in zijn land toe te laten, die vast moeten stellen of Irak
verboden wapens heeft ontwikkeld, en zo ja, welke. Het niet nakomen van de
afspraken heeft voor Irak "ernstige gevolgen", zo staat in de resolutie.
De resolutie is een overwinning voor de Amerikaanse president Bush. Al
maanden dreigt hij Irak aan te vallen, al dan niet ondersteund door een mandaat
van de Verenigde Naties. De permanente leden van de VN-veiligheidsraad China,
Frankrijk en Rusland zijn echter niet overtuigd van de noodzaak van een
militaire aanval op Irak.
Bush bindt daarop wat in en gooit het over de
diplomatieke, multilaterale boeg. Hij past zijn ontwerpresolutie keer op keer
aan, tot eerst China en later ook Frankrijk en Rusland de tekst aanvaardbaar
vinden. Dat is opmerkelijk, omdat hij zich sinds zijn aantreden, met
uitzondering van een korte periode na 11 september 2001, nauwelijks iets gelegen
laat liggen aan de mening van andere landen. Volgens waarnemers zijn de
Verenigde Staten er op dat moment al van overtuigd dat uiteindelijk zal blijken
dat Irak de resolutie schendt. Bush gaat er vanuit dat hij dan met volledige
internationale steun militair kan ingrijpen.
De
belangrijkste punten uit VN-resolutie 1441:
-
Irak moet uiterlijk op 15 november bevestigen dat het volledig gehoor geeft aan
de bepalingen uit de resolutie.
- Irak moet uiterlijk 8 december alle
programma's, materialen en plaatsen bekend maken voor de vervaardiging en
ontwikkeling van chemische, biologische en nucleaire wapens.
- Uiterlijk
op 23 december moeten de wapeninspecteurs hun werk beginnen. Zestig dagen daarna
moeten zij aan de Veiligheidsraad rapporteren.
- De inspecteurs moeten
overal toegang krijgen, ook tot Saddam Husseins presidentiële paleizen.
- De inspecteurs mogen iedereen in Irak interviewen zonder dat
vertegenwoordigers van de regering daarbij aanwezig zijn.
- Elke
verstoring van de inspecties door Irak moeten de wapeninspecteurs direct aan de
Veiligheidsraad rapporteren, evenals elk teken dat Irak niet meewerkt aan de
verplichting om te ontwapenen.
Enkele
geografische gegevens van Irak
Geografie Irak
ligt op het Arabisch schiereiland en deelt grenzen met Iran (1458 km), Jordanië
(181 km), Koeweit (240 km), Saudi-Arabië (814 km), Syrië (605 km) en Turkije
(352 km). De kustlijn, aan de Perzische Golf, is slechts 58 kilometer lang.
Landschappelijk bestaat Irak voornamelijk uit laagland, het tweestromenland
langs de twee grote rivieren de Tigris en de Eufraat. In het noordoosten is het
bergachtig en in het droge westen ligt de woestijn.
Het woestijnklimaat
brengt droge, zeer hete zomers en aangenaam milde winters met zich mee. In
oppervlakte is Irak met 437.072 vierkante kilometer tien keer zo groot als Nederland, net groter dan
Duitsland en net kleiner dan Frankrijk. Door de barre klimatologische
omstandigheden is maar dertien procent van het land is in cultuur gebracht. De
belangrijkste steden zijn de hoofdstad Bagdad (vijf miljoen inwoners), Basra in
het zuiden en Mosul en Kirkuk in het noorden.
Bevolking Irak telt ruim 24 miljoen
inwoners. De gemiddelde Irakees heeft een levensverwachting van 66,3 jaar, de
vrouwen worden ruim twee jaar ouder (Nederland: mannen 75,7 vrouwen 81,7) Het
geboortecijfer is 34,2 (Nederland: 11,6). Bijna tachtig procent van de bevolking
is Arabier. De Koerden, die in het noorden wonen, maken vijftien procent van de
bevolking uit. Verder zijn er nog kleine Armeense, Perzische en Turkse
minderheden.
Bijna de gehele bevolking (97 procent) is moslim. Daarvan
hangt tweederde de shi'itische geloofsrichting aan en eenderde de soennitische.
Drie procent is christen, vice-premier Tareq Aziz is één van hen. In Bagdad is
nog een kleine joodse gemeenschap. De officiële taal is Arabisch. Verder wordt
in Irak Koerdisch, Assyrisch en Armeens gesproken. Van de volwassen bevolking
kan 58 procent lezen en schijven. Het analfabetisme komt bij vrouwen veel vaker
voor dan bij mannen.
Bestuur Saddam Hussein is zowel
president als premier en opperbevelhebber van de republiek Irak (officieel:
Joemhoeria Al Irak). Alle Irakezen van achttien jaar en ouder kiezen eens in de
vier jaar een parlement dat louter bestaat uit leden van de Baath-partij of
mensen die "de beginselen van de Baath-partij zijn toegedaan". De werkelijke
macht is in handen van de achtkoppige Revolutionaire Commando Raad, waarvan
Saddam de allesbepalende voorzitter is.
Irak is administratief verdeeld
in achttien provincies, met aan het hoofd een gouverneur. De hoofdstad Bagdad
heeft een aparte status.
Economie Olie is de kurk waar de Irakese
economie op drijft. Of beter gezegd: op dreef. De na de Golfoorlog ingestelde
VN-sancties hebben de olieproductie goeddeels lamgelegd. Sinds de VN-sancties
mag Irak alleen olie exporteren in ruil voor humanitaire hulpgoederen. Tot de
sancties was Irak na Saudi-Arabië de grootste olieproducent ter wereld. Los van
het olie-voor-voedsel-programma exporteert Irak, naar algemeen wordt aangenomen,
illegaal olie. De prijs voor zo'n smokkelvat ligt beduidend lager dan die op de
wereldmarkt.
De afgelopen decennia heeft de landbouw aan belang gewonnen.
De voornaamste exportproducten zijn dadels en graan. Toch is dit niet meer dan
een druppel op een gloeiende plaat. De economie verkeert door de sancties in
deplorabele toestand. De inflatie is opgelopen tot boven de zestig procent en de
buitenlandse schuld is opgelopen tot zestig miljard dollar. De dinar is buiten
Irak hoegenaamd niets waard. Op de zwarte markt wordt voor één Amerikaanse
dollar 2000 dinars neergeteld. De officiële door de regering vastgestelde
wisselkoers is drie dinar voor een dollar. Het gemiddelde jaarinkomen per hoofd
van de bevolking is 2500 dollar.
Bronnen:
Lukasz
Hirszowicz, The Third Reich and the Arab East Routledge & Kegan
Paul/University of Toronto Press, 1966). Charles Trip, A History of Iraq
(Cambridge University Press, 2002, New Edition). Con Coughlin, Saddam. The
Secret Life (Macmillan, 2002). Robert S. Robins en Jerold M. Post, Political
Paranoia. The Psychopolitics of Hatred (Yale University Press, 1997). Daniel
Chirot, Modern Tyrants. The Power and Prevalence of Evil in Our Age (Princewton
University Press, 1996). Richard Butler, The Greatest Threat: Iraq, Weapons of
Mass Destruction, and the Crisis of Global Security (Public Affairs, 2001).
Khidr Abd al-Abbas Hamzah, Saddam's Bombmaker: The Daring Escape of the man Who
Built Iraq's Secret Weapon (Touchstone Books, 2001). Interview met dr. A.J.J.
Ooms, in: NRC Handelsblad, 24 mei 1997, Zaterdag Bijvoegsel: VN-onderhandelaar
Koos Ooms over de ontwapening van Irak: "Straks kan Saddam weer ongestraft zijn
gang gaan." BBC
Panorama: Saddam - A Warning From History (3 november 2002). Over Stalin en Saddam
Hoessein. Vermaat Emerson. Omroep.nl. Kaartmateriaal uit eigen
verzameling.
|